Spot, licht

‘Wat betekent ‘Rarekiek’ eigenlijk?’ vroeg ik aan het groepje journalisten met wie ik achtergebleven was.
‘O, het is al heel oud toch?’
‘Ja, het is zoiets als spotten, het was van vroeger, toen men prenten maakte waarin de politiek belachelijk gemaakt werd, die dan in de krant terechtkwamen.’
‘O, dus het betekent spotprent?’ vroeg ik.
‘Eh – ja, eigenlijk wel, ja! Denk ik.’
‘Een spotprent in woorden.’
‘Ja! Een spotprent in woorden, ja.’

“Maar hij schrijft geen echte brieven”, zei de schrijfster. Ze vertelde een anekdote, waarop ze in haar geest gestuit was bij het antwoord geven op een vraag uit de groep. Wij zaten in een twintigtal mensen om haar heen en ze was duidelijk niet op haar gemak geweest met de situatie, de eerste die de fles gin naar zich toegetrokken had en zonder tonic driekwart van een plastic bekertje gevuld had. Misschien had iemand gevraagd over wat ze nog meer schreef, behalve romans, of waren we te spreken gekomen over het verschil tussen waarheid, natuurlijk waarheidsgetrouw, of fictie schrijven. Toen kwam ze op de merkwaardigheid, die haar irriteert, die ze op gefrustreerde toon ineens de kleine, alleen door waxinelichtjes verlichte ruimte in schalt, alsof ze hardop nadenkt en ineens vergeten is dat wij er zijn: “Hij schrijft geen echte brieven, hij schrijft…” Ze kijkt naar het plafond en neemt nu uit de fles gewoon een slok, “ik weet het niet, het is-“ haar haar waait zachtjes achter haar aan terwijl ze heftig met haar kop schudt, “ik bedoel ik mail gewoon écht, ik bedoel, over boodschappen doen en mandarijnen op de markt en dat het netje scheurde en alles wat me overkomt, dat ik probeer op de hometrainer te lopen en dat mijn kat – maar hij niet, hij schrijft met het idee dat het ooit gepubliceerd gaat worden, deze briefwisseling tussen ons – “ ze schiet in de lach, en krijgt een knalrood hoofd, kijkt verlegen naar beneden, naar de fles die ze bungelend tussen haar knieën houdt.
“Ik was hem gewoon echt aan het mailen, over de echte dingen, over de dingen die niets zijn.” Ze schaamt zich, alsof ze iets niet goed begrepen heeft, verkeerd heeft gedaan.

De schrijver die geen echte brieven schrijft wanneer zijn correspondentiepartner een collega betreft zit op het podium te wachten in het spotlicht, het hele uur aan programma voor zijn optreden lang.
Ik moet denken aan hoe dat Teju Cole overkwam bij Spui en die toen gegeneerd na het eerste stukje, voor het tweede begon, vlug in de microfoon mompelde dat hij dacht dat het misschien niet de bedoeling was dat hij hier nu al zat, voor deze stukjes, en vlug het podium af glipte. Toen op een stoel ging zitten, tussen ons, en op zijn gemak luisterde naar wie voor hem kwam.
Deze meester van het korte verhaal krijgt daartoe niet de kans, of het komt niet in hem op, en een uur lang zit hij op een krukje achter een katheder naar beneden te staren, naar tussen zijn knieën, zonder fles gin in zijn handen, maar luisterend, met zijn ogen beiden naar rechts (voor de kijker links). Misschien is hij niet ongemakkelijk, want het valt me op dat hij de laatste drie kwartier van het programma, nu hij zelf aan het voorlezen is, helemaal niet van houding verandert. Merkwaardig hoe hij niet eens eenmaal het publiek in kijkt, typisch, hoe schrijvers dat kunnen, over zo’n klein brilletje heen, ogen beetje dichtknijpen tegen het felle licht en dan de een of andere opmerking maken, een vraag stellen aan het publiek waar mensen dan om moeten lachen, ervoor zorgen dat je niet meer alleen bent daarboven. Hij heeft het brilletje wel.
Ik denk steeds aan de mandarijnen van Maartje Wortel terwijl A.L. Snijders voorleest over een haas. Hij doet het traag, en goed. Hij maakt een schtick van zijn persona – oud, traag, warrig. Het werkt heel goed, beide, maar het trage is vooral slim; het kost een minuut of tien, maar daarna heeft hij de tijd en de sfeer veranderd en daarin luistert nu iedereen heel goed naar elke aparte, opeenvolgende zin.
Als Esther na afloop op het podium aan hem vraagt of het makkelijker of moeilijker is om kort te schrijven geeft hij langdradig antwoord.

‘Wie is toch die vrouw van hem? Dat is een actrice of zo, ik ken haar ergens van.’
Wij draaien onze hoofden naar een paar tafels verderop, weten het niet.
Esther kijkt op haar telefoon.
Ik ga op zoek naar nacho’s of kaas, maar ik kan niets vinden. De bars van Noorderzon zijn veranderd, alles is veranderd, het is chic geworden, wat me irriteert, maar gelukkig regent het nog, dat klopt sfeertechnisch tenminste nog wel. Het gesprek, met zijn vieren, gaat van ontgroeningen, naar huisdieren, naar literatuur, naar collega’s. Ik zeg dat ik het jammer vind dat ik nu weet wie Rarekiek doet, dat moet je toch helemaal niet verklappen, zeg ik.
‘Sonja, alleen jij leest het colofon’, zegt Esther lachend en streng.
‘Als jullie me maar niet vertellen wie Dokter Denker is.’
‘Dat weet niemand’, zegt de een schalks.
‘Nee, inderdaad. Ik heb ook geen idee.’
Dan tegen elkaar op serieuze toon: ‘Nou, ik zie hem wel minder op de redactie nu.’
‘Ja, ik heb hem ook al een tijd niet gezien.’
‘Hij schrijft nog steeds wel wat.’
‘Nou, best veel eigenlijk. Hij schrijft heel veel. Hij- ’
‘Hou op!’

‘Er zijn heel weinig mensen’, zegt iemand. We staan op de planken te wachten tot de laatste vijf minuten voor de start voorbij zijn. Ik heb me bij een groepje journalisten aangesloten. Het wordt donker en mensen komen de planken opgelopen, langs ons heen. Ik vond het nog wel meevallen.
‘Ja, Lévi Weemoedt zit daar’. De uitgever wijst mismoedig met zijn duim achter zijn rug. Ik staar in die richting alsof ik hem kan zien.
‘In die tent daar’, is hij nu ook’, verduidelijkt hij.
‘Nou, lekker handig.’
‘Nee, niet echt nee.’
‘Ik heb het eigenlijk altijd gewoon over mijzelf’, zegt een van de Rarekiekschrijvers, op verbaasde toon. Hij had er niet over nagedacht dat je ook anderen kunt beschrijven. Hij neemt een slok van zijn bier. Hij is muziekrecensent en zegt het leuk nu een gezicht erbij te hebben nadat we aan elkaar zijn voorgesteld en dat het jammer is dat ik het niet meer doe en wat ben ik nu aan het doen, schrijf ik een boek, ja? Wat leuk, hij ook, hij is er al tien jaar mee bezig, met een vriend. ‘Eigenlijk lees ik heel weinig’, imiteert hij iedereen met wie ik het over lezen heb, ‘een boek per maand is veel.’ Ik zeg dat de meeste mensen dat toch ook niet halen, heb ik de indruk, dus dat dat wel meevalt eigenlijk.
Ik zeg: ‘Wist je dat Carmiggelt het altijd als hij een oude man naast zich krijgt zitten op een bankje die hem dingen vertelt, eigenlijk gewoon over zichzelf had?’
‘Nee’, zegt hij lachend, ‘dat wist ik niet.’
‘Dus je doet hetzelfde, in feite.’
‘Ja, dat is dan wel zo’, lacht hij.
Na de show vertel  ik mijn Carmiggeltfeitje aan nog drie mensen, die beleefd doen of ze onder de indruk zijn, maar het waarschijnlijk zelf allang wisten. Ik zeg dat ik het van Rubinstein heb, alsof ik haar dagelijks spreek.

Bij het nadrinken begin ik over ‘ik’, hoe Snijders steeds ‘ik’ was die zogenaamd iets meemaakt, maar dat grotendeels verzint, terwijl de Rarekiek door Groningen dwaalt en verslaat wat hij ziet, en dat vaak dus stiekem juist het omgekeerde is: een echte ik maakt iets mee en doet alsof hij daarin werd bespied. We hebben het over een clou of een ‘pointe’, moeten daarom lachen, maken JP een beetje belachelijk – al is het dan wel logisch dat een dichter daar moeite mee heeft, zeg ik, aangezien ze toch vooral observators zijn. Kijken kijken kijken, wat is er toch altijd veel te zien en hoe leuk om met iemand mee te kijken en mee te luisteren in alle café’s. Een van de schrijvers kent iemand die in een ziekenhuis werkt – dat werkt ook heel goed, af en toe een aflevering van hoe het daarbinnen gaat. Overal ogen en oren.

We nemen nog een drankje, kijken om ons heen, Noorderzon is donker en glanst in de regen. Ik krijg de rook van het barbecuewiel in mijn haar.
‘Ik heb trouwens laatst iets vreselijks ontdekt.’
‘Wat?’
‘Nou, die ene vrouw waar we zoveel mee samenwerken…’
‘Wie?’
‘Jeweetwel.’
‘O! Die! Gatver.’
‘Ja -‘
‘Kan haar niet uitstaan.’
‘Nee – nou, nee, ik dus ook niet. Maar -’
‘Ze is echt vreselijk.’
‘… ze is dus diep in de rouw.’
‘Wat?’
‘Haar man.’
‘In de rouw?’
‘Ze maakt kussentjes van de oude stropdassen van haar man.’
‘Kussentjes?’
‘Kússentjes! Zeven jaar geleden is het al.’
‘Ja, zoiets gaat voor iedereen…’ onderbreek ik de drie journalisten.
‘Ja ja, dat weet ik wel, maar hoe kan ik haar nou nog háten?’
‘Eh…’
‘Ik bedoel ik vind dit dus zó irritant. Nou moet ik haar zielig vinden!’
‘Ja, dat is wel…’
‘Ik bedoel, ja toch?’
‘Ja.’
‘Welnee’, zegt de ander, op joviale toon.
‘Nee?’
‘Je kunt haar toch nog steeds prima kut vinden.’
‘Ja?’
‘Jaaaa hoor… jawel. Ja.’

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s