Overlopen

Vanmorgen toen we langs de kleedhokjes liepen, langs de spiegel, zij de glazen deur voor ons openduwend, naar buiten, langs de olijfboom, langs de prullenbak (ik had de helft van mijn abrikoos al op en gooide de pit weg), vertelde ik haar een droom die ik had vannacht over mijn moeder. Het was namelijk gegaan over zwemmen, vertelde ik, op een toon die opgewekt en verwonderd was en in zich behelsde dat dit een grappige anekdote zou gaan worden dus zij begon on cue al te lachen, naar beneden naar de tegels onder haar voeten starend, luisterend naar wat het verhaal zou zijn.

Het was een droom die lijkt op de droom van opnieuw examen moeten doen, of, in mijn geval, verdwalen bij de kluisjes van de garderobe en daar blijft het dan bij, verder kom ik al niet – maar dan met zwemmen. Vroeger was mijn moeder mijn trainer een tijdje, en heel lang was ze klokster bij de wedstrijden, soms was ze scheidsrechter, in elk geval – nu moest ik een race zwemmen maar ik had het programma niet kunnen zien en was te laat, ik kwam aanrennen en wist niet eens in welke baan ik moest, en mijn moeder had al gefloten en de rest was al in het water gedoken. Turend naar de banen om te zien welke nog leeg was om toe zoeken waar ik moest duiken keek mijn moeder mij dom aan en ik werd boos op haar. Ze hield zich perfect aan de regels, als scheidsrechter, maar niet als moeder, boos riep ik: ‘waarom geef je dan niet even iets aan? Waarom knik je niet met je schouder, met je neus, richting de baan?’
Ik vertelde het aan de vriendin die harder en harder begon te lachen en toen we de traptreden richting de uitgang op liepen viel me ineens een nog veel groter stuk van de droom in, zoals dat soms gaat wanneer je ze navertelt, namelijk dat het hele eerste stuk ervan over de zee was gegaan. Niet een zwembad maar de echte grote zee. Het was met gele en goude en bruine kleuren en er was wind maar het was ook warm. Ik liep minutenlangs langs een kust, in een lijn, volgde mijn eigen voeten, en passeerde enorm veel mensen die rechts van mij al in die zee aan het zwemmen waren. Het was alsof ik het punt opzocht waar ikzelf dan ook de zee in kon, ik moest gaan zwemmen, dat weet ik wel. Ik vond het niet en vond het niet, er was geen opening, de zee was hoog, propvol en druk. En aan het eind van mijn lijn ineens een zwembad, moest ik een gebouw in, moest ik binnen zwemmen! (Zij lachte weer.) En mijn moeder die daar dan naast de startblokken staat.

Omdat ik nog aan het praten was liepen we niet meteen door naar de uitgang maar nog even naar de rand van het hoger gelegen stuk, en keken we naar de zwemmers onder ons. Het zonlicht glinsterde in het water.
‘Zo leuk vind ik dat altijd om te zien’, zei zij, ‘iedereen heeft zo zijn eigen manier van zwemmen.’
‘Niet molenwieken moet je’, zei ik.
‘Kijk die’, zei zij.
‘Je moet eigenlijk in een heel scherpe hoek je arm omhoog en naar achter trekken en dan weer in het water steken.’
‘Die nu de glinstering in glijdt.’
‘Ja.’
‘Die zwemt echt heel netjes. Heel rustig gewoon.’
‘Ja.’
‘En dat gaat dan eigenlijk supersnel.’
‘Ja, die doet het heel goed.’
We zagen alleen maar silhoutten, zwarte schaduwen, als tweedimensionale mensen, als contouren, scherp omlijnde vlekken.

We liepen de uitgang uit en ik vroeg me af hoe het toch kon dat ik haar, die ik nog helemaal niet erg lang ken, zoveel vertel. Of dat komt omdat ik haar zo regelmatig zie deze zomer.

Kwam gisteren een vriend langs, hij is on a break met zijn vriendin die ook een vriendin van mij is en vertelde zijn kant van het verhaal.
‘Binnenkort moet je maar ook met haar afspreken’, zei hij, ‘je moet maar bij haar langsgaan.’
‘Ja doe ik’, zei ik, en ik begon al te lachen.
‘Dan kan ik haar nu mooi afzeiken bij jou’, zei hij.
‘En dan kan ik jou mooi afzeiken met haar’, vulde ik aan.
‘Precies.’ Hij begon te lachen.
En toen vertelde hij me veel, heel veel, liep helemaal leeg, bleef bijna twee uur. Vertelde teveel, liep over, over haar in bed, hoe moeilijk dat eigenlijk al heel lang allemaal ging. Ze bleken eigenlijk al een tijd een heel andere relatie te hebben dan ik dacht. Nu was mijn functie veranderd: vertelde me alles wat hij me vroeger ook vertelde, en meer. Ik woon tenslotte bij hem om de hoek. Misschien krijg ik mijn buurvrouw-bijpraat-functie terug.

De nu in de zomer meezwemmende vriendin ook advies gevraagd over een sollicitatieprocedure, merk dat ik de neiging heb een foto te sturen van een mail, ook van mezelf met mijn pluiskop nu ik mijn borstel vergeten was en mijn krullen pas kon kammen toen het al droog was. Ook verteld dat ik koffie ging drinken en twee pannenkoeken van gisteravond daarbij zou opwarmen.
Vraag me af of genegenheid niet gewoon zo werkt: wie in de buurt is, vertel je alles. Die persoon van dagelijks. Die persoon van bij de koffie elke dag. Niet samenvatten, niet nadenken zelfs, gewoon alles eruit pleuren waar je op dat moment mee bezig bent – heerlijk.

Ik zei: ‘Nou Freud, kom maar op.’
‘Hmmm, iets met water… iets met vruchtbaarheid of zo?’, lacht ze zacht spottend, ‘iets met die kinderwens of zoiets misschien?’ Trekt overdreven een rimpel, zet hand peinzend op haar kin. Ik schiet in de lach.

Maar zij doet het ook bij mij, gelukkig. Vertelde over een vreemde behoefte aan een slechte man, vertelt over heimweh naar het buitenland waar ze woonde, over hoe ze haar huis wil herinrichten. Houdt niet van koffie, wel van thee, hoe het op vakantie ging, over haar weekend bij haar ouders, over haar broer.

Als het werk vinden niet lukt maar een hardloopmaatje gaan zoeken voor het nieuwe seizoen. En altijd is er natuurlijk internet.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s