Wasknijpers en de pruimenboom

IMG_3504

Hou van ritme. Dit lijkt op een entry in Bridget Jones’ diary, die korte krantenkopachtige zinnetjes. Als een mitrailleur snel snel snel associatief aan het eind van de dag verslag doen van wat er allemaal gebeurde. Doet me ook denken aan hoe in Italië niemand ‘ik’ gebruikt in een zin, ‘hou van ritme’ is daar zogezegd zelfs grammaticaal correct, omdat de uitgang (hou) al duidelijk maakt dat ‘ik’ het zegt. In het begin deed ik dat verkeerd en werd ik vaak uitgelachen (niemand kan een taal leren die niet uitgelachen wil worden) en een keer legde mijn huisgenoot tijdens de afwas uit dat het nu leek alsof ik continu de nadruk op mezelf wilde leggen. Als ik dit stukje in het Italiaans begon en de Nederlands correcte zin had vertaald, dus ‘ik hou van ritme’, leek het daar of ik zeg: ‘IK hou van ritme’. Zo liep ik dus de eerste dagen kennelijk rond, steeds de nadruk leggend op hoe de zaken voor mij toch zeker anders zijn, louter en alleen omdat ik niet in korte reportagetaal sprak. Ik kom vaak terug op die ene periode dat ik daar woonde, die verder en verder drijft, ik trek hem nu dat gebeurt juist naar mij toe. Had geen idee dat het vrij abnormaal zou blijken te zijn, is denk ik de reden daarvan, nu vijftien jaar later, om maar gewoon een beurs te kunnen krijgen, studiebeurs nog doorbetaald, een half jaar ergens anders te gaan wonen en dan te leren hoe je pasta maakt. Nu zomaar weggaan zou ik niet meer kunnen (geen geld en niet de roekeloosheid in mijn brein), en dus denk ik er steeds meer aan terug als Die Periode dat ik vrij was in plaats van wat ik had verwacht: een van vele dingen die ik heb gedaan, er zullen er meer volgen.

Dit schrijf ik louter en alleen om verder te gaan met mijn schrijfritme. Het laatste blogstuk was alweer te lang geleden, dat komt omdat ik bezig was met tuinieren. Ik heb ontdekt, tot mijn grote vreugde, dat ik helemaal vanzelf twee hobby’s heb gecultiveerd – dat wil zeggen, creatieve dingen die ik doe ter ontspanning, zintuiglijke genoegens opleveren en waar ik goed in ben, waarin ik niet beroepsmatig iets wil worden, dus die verder geen druk opleveren, een groot goed, een veilig goed – en het zijn koken en tuinieren. Als ik in paniek ben ga ik soep koken, dat is al van lang geleden, of ik maak risotto, of iets anders dat traag is, lang duurt, tot langzaam roeren en veel ruiken en proeven dwingt. Ik wilde daarbij eigenlijk altijd een tuin, in mijn e-book heb ik flora getekend die me inspireerde en ontroerde (klaprozen, perenstaakjes, helmgras in bloei) en ik ga soms de rozentuin in het park aan het eind van de straat in omdat in het dagelijkse terug-van-vakantie-leven ook te vinden, daarbij ging ik steeds voorbij aan een onherroepelijk feit: ik heb eigenlijk gewoon een tuin. De tuin zit aan de voorkant van mijn (boven)woning, dat is het probleem. Het is een stukje gras met een buxusheg eromheen, die beiden altijd vanzelf werden bijgehouden door kabouters. Aan de straatkant van mijn slechte wijk durfde ik mij een tijdlang niet te vertonen – ik woon ook nog tegenover een kebabzaak, en de tuin is op het zuiden dus in de zomer is het er bloedheet – dan liever het balkonnetje dat ik ook nog aan de zijkant heb, in de schaduw en redelijk veilig verscholen achter een grote muur. Na de grote verbouwing van de woningbouw dit voorjaar ontdekte ik dat zij die kabouters waren, en ja, het was mijn tuin, en ja, eigenlijk mocht ik er gewoon dingen mee doen. Om redenen die me niet helemaal duidelijk zijn merk ik ineens dat ik na zeven jaar eigenlijk steeds meer verschanst zit en het idee in een tussenwoning te hangen best eens kan laten varen, om overleven eens in leven te veranderen, een interessant concept. Ik kwam erachter dat dit sugo en kruidenboter maken betekent, en een picknicktafel in elkaar hakken en zelfs het planten van een pruimenboom.

Over die boom ben ik intens tevreden. De troost van de seizoenen zit erin, wat natuurlijk de troost van het leven is of de troost van de dood, er enfin voor zorgt dat die dingen misschien wel hetzelfde zijn, zoals in het boek van Octavie Wolters over de natuur wordt gezegd: ‘alles anders, alles hetzelfde’, steeds weer. Drie jaar geleden werden de bomen uit de straat gerukt, het enige wat mij beschutte tegen pottenkijkers als ik soms toch beneden buiten zat, daarna plantte ik een stekje die door mijn vader met veel zorg was opgekweekt – die werd meteen weggemaaid. Ik vond dat allebei heel erg, voelde me verslagen, concludeerde eruit dat ik nooit iets van blijvendheid zal hebben, alles gaat maar weg, steeds opnieuw, ik verzuip erin, verdwijn zelf ook. Maar: gewoon opnieuw proberen dus. Jaren later nu. Hij zal misschien zelfs vrucht dragen, dat is toch te gek, en die vruchten zijn dan van mij, ik kan ze in september plukken en er jam van maken of taart. Ik kan in maart na een hele winter kijken naar de eerste witte bloesem, in de zomer ruiken aan de groene bolletjes die steeds meer op gaan zwellen. Die dingen beleven stelde ik me de afgelopen jaren voor in mijn volgende woning, een boerderijtje ergens op het land, maar goed in Groningen storten al die dingen in elkaar en bovendien zit ik nog steeds in die uitkering en dus bedacht ik nu eindelijk, uitgeput: dan maar hier. Het levert een kalmte op. En ook: rituelen: ’s morgens bij de koffie de balkonbloemen verzorgen, ’s avonds na het eten de stekjes in de voortuin. Ik zit er vaker en de mensen groeten me en blijven weg uit mijn verzorgde tuin. (Hopelijk ook ’s nachts.) De blauweregen en klimroos die ik drie jaar geleden plantte getuigen van het goede van dit idee: ook al wist ik het niet zeker namelijk, ik ben er nog, ik ben hier nog, en zit nu in de zomer naast een enorme bloeiende rozenstruik. Terwijl ik toen dacht: als die echt bloeien, over drie jaar of zo ben ik hier vast niet meer. Het blijkt dat het planten nu juist was wat voor mij het nut van de handeling inhield, niet het meemaken van het bloeimoment. ‘I just want to plant some seeds and watch them grow’, zegt Meg Ryan geïrriteerd tegen Kevin Kline in mijn favoriete romantische komedie. Hij vraagt haar waarom ze weg is bij haar ex, die wilde dus niets en zij wil van alles – huis, boom, beest (kind). Ze verdedigt dit boos. Is dat nou zo erg? Zoiets zei ik tegen de cynische vriendin die allang naar Amsterdam was verhuisd en mismoedig om zich heen keek toen ik net in dit huis terechtkwam en ik zei dat ik een blauwe regen wilde laten groeien boven mijn voordeur. ‘Ik wil gewoon dat iets blíjft’, zei ik.

Daten en solliciteren doe ik nog steeds, voelen nu al minder plichtmatig omdat ik ze kennelijk steeds minder nodig heb, of er pragmatischer over geworden ben, of er niet mijn identiteit of waarde in vind, geen flauw idee. Het is allemaal niet meer zo moeilijk nu. Deze zomer, nu mijn huis flink door de woningbouw was opgeknapt en ik voor het eerst weer intens tevreden achter de geraniums zat had ik iemand meegenomen die ik identificeerde als een date en zij geloof ik niet (?) hoe weet je zoiets in godsnaam, in elk geval – ze keek omhoog, naar mijn wasknijpers, en vroeg, ernstig en verbaasd: ‘Droog je daaraan dan écht je was?’ Ze is nog geen dertig, misschien is dat het, maar ik vond het een grappige en rare vraag. Voor het eerst dacht ik na over de mogelijkheid wasknijpers of waslijnen dan ergens anders voor te gebruiken, maar dan voor wat, dat slaat nergens op, en dus was deze contemplatie niet het begin van de ernstige overpeinzing die zij kennelijk beleefde, maar meteen ook afgekapt – de laatste keer dat ik hier over nadacht. Er zit verder niets achter, het is een waslijn, ik gebruik de waslijn voor de was. En terwijl zij om zich heen keek naar de geraniums en naar beneden loerde naar mijn plekje gras met daarop nu op zijn rug en met vier poten in de lucht mijn slapende kat, zag ik haar een beetje verbaasd glimlachen. Misschien is mijn boerenstadsbestaan voor haar een haast ironisch toneelstuk, een gedachte waar ik acuut moe van word. Ik ben niet langer in een tussenwoning, niet in een tussenleven, maar in een huis, ik solliciteer niet naar mijn passie, mijn identiteit, maar naar een baan, ik date niet om te experimenteren, nee, nee, nee. Life is now (om met Hera Lindsay Bird te spreken ja), other people are real, om met William Maxwell te spreken – dit is gewoon echt.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s