Ik ben Marjan erg dankbaar

‘We hebben vanmorgen ook net een cursus communicatie gehad!’ zegt een van de ventilatiemannen, hij grijnst erbij maar het is niet een lach, er is ook angst. Hij is mijn kamer in gestampt en schrok toen ik daar zat op de bank met mijn laptop op schoot. Ik was gisteren thuis.

Er is bij de verbouwing van mijn sociale huurwoningenblok al heel veel misgegaan. De belofte was: het duurt twee maanden, waarvan een week in je huis. De week staat nu op elf werkdagen, gelukkig niet aaneen. In de praktijk betekent het dat ik regelmatig dingen weggeschoven heb, opzij heb gezet, en ze niet kwamen, waarna ze wel kwamen, even tussendoor op een dag dat ik niets opzij geschoven had. Dat is problematisch, want ik heb een contract getekend dat zegt dat ik verantwoordelijk ben voor schade als ik zelf dingen niet opzij heb gezet. Zo is mijn favoriete bloempot nu gesneuveld en zit overal een laagje gruis. Er zit een gat in de muur van de keuken waar een thermostaatbediening is neergehangen, die moest weg omdat die in de woonkamer moest. Het lijkt alsof de bouwvakkers niet op de gedachte komen eerst te vragen in welke kamer dat ding moet hangen. Ze doen van alles, dat wordt dan bekeken door een opzichter, en dan halen ze de helft weer weg want het moet anders.

Ik zoek natuurlijk steeds opnieuw naar zekerheid, die krijg ik niet. Maar: dat wéten zij niet. Wat er gebeurt is niet dat ze tegen mij iets zeggen, maar dat ze staan wachten tot ik stop met praten, zenuwachtig en gehaast wiebelend, en daarna iets geruststellends zeggen, iets algemeens, dat altijd in hun mond klaarligt, ze wachten gewoon tot het hun moment is om dat te doen, als een acteur die regels opzegt. Het duurde een tijd om te beseffen dat hun woorden in feite niets betekenen en dat ik moet letten op wat ze doen.

Er zijn vier teams: de dakdekkers, de ventilatiemannen (met een timmerman), de schilders en glaszetters en de elektriciens. De zin die ik de afgelopen weken het meest heb gehoord is deze: ‘Oh dat wist ik niet mevrouw, dat hebben ze aan mij niet gecommuniceerd.’ Ik word bemoeizuchtiger, ik wil niet nog meer bloempotten kapot, kan ik mijn bed nou terugschuiven of niet, kan ik de keukentafel weer tegen de muur zetten? Op die vragen is altijd het antwoord ja, want dat is geruststellend. Ik geloof ze niet meer. Zij worden banger en ontwijkender. ‘Het komt allemaal wel goed!’ roepen ze met een vertrokken grijns. Ze zeggen ook: ‘Trek je van ons maar niets aan!’

Je kunt rustig vaststellen dat communicatie sowieso gedoemd is als letterlijk en figuurlijk beide partijen onder dat begrip alleen al iets volstrekt anders verstaan. Ik krijg inmiddels de indruk dat de mannen bij ‘gecommuniceerd’ een woord bedoelen dat uitdrukt: ik heb dit bevel niet gekregen. Allemaal zijn ze slechts uitvoerende kracht. Ik bedoel ermee: contact maken; dus: vragen stellen, luisteren, samenvatten of je elkaar begrijpt.

Gisteren gebeurde er iets merkwaardigs. Mijn internet lag eruit. Mijn ramen lagen er ook uit, en ik heb al weken geen dak maar plastic, en ik heb de hele dag de voordeur en alle deuren in mijn huis openstaan, maar dit was natuurlijk de echte ramp. Ik ging eerst nog even met een vriendin een rondje door het park lopen en wachtte af. Toen ik terug kwam was het internet nog steeds dood maar de stroom lag er niet af. Desondanks was het wel heel toevallig dat net nadat er een man in de meterkast was bezig geweest het internet eruit lag, dus ik besloot toch te vragen wie daar was geweest, waar die man dan nu was, of hij hier wilde komen en of hij iets met het internet had gedaan. Inmiddels ben ik zo moe en gestrest van alles (week 4/10) dat ik de indruk krijg dat de mannen een beetje bang voor me zijn. In elk geval kan dat een voordeel zijn; er werd meteen een elektricien opgehaald die natuurlijk zei dat het niet daaraan kon liggen, internet zit helemaal niet in de meterkast. Dat weet ik wel. Ik zei dat ik dat wel wist, maar dat het toch gek was dat het precies vanaf dat moment niet meer werkte. De man die daadwerkelijk bezig was geweest werd opgehaald. Hij keek ernaar en zei: ‘ja dat komt door die groep hier. Die groep staat uit. Maar die stond al uit toen ik hier kwam!’ Ik zei: ‘wie heeft die groep uitgedaan dan?’ Ja dat wist hij niet. Maar hij zou hem weer even aanzetten. En na vijf minuten deed internet het weer.
‘Zie je nou wel’, zeiden we allebei.
Wat frappant was: zowel de man als ik hadden volkomen gelijk, terwijl we het tegenovergestelde bedoelden: hij had het niet gedaan, ik vond dat het lag aan hen. De man voelt zich niet aangesproken als de grote groep bouwvakkers die in mijn perspectief de hele dag door mijn huis heen dendert. Nee hoor, iemand anders deed dit. Terwijl ik bedoelde: dit komt wel degelijk door jullie. Een van de schilders begreep het. Die zei: ‘zet die stroomgroep dan weer aan, dat hebben wij gedaan’, terwijl geen schilder in die meterkast in de buurt is geweest.

Die schilder moet ik dus hebben en aan hem vraag ik hoe het met de voortgang van het glas zetten zit. Ik krijg meteen eerlijk antwoord. Hij heeft eerst nog ene Marjan aan de lijn en zegt mild geïrriteerd tegen haar dat hij nu even niet kan praten Marjan, ik heb hier een bewoonster en die wil wat vragen, ik ben in een van de huizen nu.

Een van de ventilatiemannen zei: ‘we moeten morgen toch nog even in uw huis mevrouw. Het spijt me zeer, ik kan er niets anders van maken.’ Ik zei: ‘Oke, dat moet dan maar, hoe laat?’ Hij keek verbaasd. Ik zei acht uur, een half uur later dan normaal levert mij een klein beetje rust op, een moment koffie voor de deur openbarst en de mannen naar binnen denderen. Dat was prima.
Natuurlijk stond de volgende ochtend zijn collega om half acht aan te bellen. Hij belde drie keer en half aangekleed moest ik uit de douche naar beneden rennen en opendoen. Toen ik zei dat ik acht uur had afgesproken: ‘Oh sorry mevrouw, dat hebben ze aan mij niet gecommuniceerd.’ Iets wat ik niet begrijp: zijn directe collega had deze informatie. De ventilatiemannen zijn een nauw met elkaar samenwerkend team van drie. Waarom heeft hij het niet tegen hem gezegd?

Inmiddels doe ik de deur niet open als er geen afspraak is. Anders is het resultaat, waarover de buurvrouw klaagt, dat ze in plaats van de gecontracteerde vijf dagen (die al op afspraak uitliepen tot elf), tien weken lang regelmatig binnen en buiten waaien. Ik heb ze mijn sleutel niet gegeven.

Een andere man komt mijn kamer binnenlopen en loopt het waterbakje van de kat omver. Mijn hele tapijt is nat, het was helemaal vol. Hij kijkt er niet eens naar. Ik vraag verbaasd: ‘Daar zat water in of niet?’
‘Huh?’ kijkt hij verstoord naar beneden. ‘Ja’, zegt hij dan. Hij schrikt niet, zegt geen sorry. Hij kijkt niet naar mij maar om zich heen en loopt de kamer weer uit.

De jonge timmerman, dat was ook raar.
In de dagen dat ze aaneen bezig zijn in mijn huis vraag ik drie keer of hij last heeft van mijn kat. Ik bedoel dat ik hem dan wel kan opsluiten met zijn voer en zijn bak. Maar hij hoort kritiek, klagen, en haast zich te zeggen: ‘Nee hoor!’ Als ik thuiskom na acht uur werken in de bieb zit mijn kat opgesloten in de woonkamer. Hij heeft geen voer en kan niet naar de WC. Ik zeg het tegen de mannen die in mijn huis rondlopen, maar niemand heeft het gedaan. Dagen erna heeft hij last van plassen, hij schreeuwt van de pijn als hij op zijn bak zit, ik ben bang voor blaasontsteking. Ik spreek dat uit tegen de baas van de timmerjongen en hij knikt sympathiserend. Ach, wat vervelend voor de kat. Denkt hij dat ik hem gewoon iets vertel? Denkt hij dat de blaasontsteking iets is wat zomaar is gebeurd? Hoe kan het dat het niet in hem opkomt dat hij hier iets mee te maken heeft?

Er was een ochtend dat ik uitviel. Op een avond vorige week ontdekte ik dat mijn slaapkamerraam niet dicht kon. Ze hadden de klemmen van het kozijn afgehaald. Het is een groot raam dat als een luik openklapt, en dat deed het ook, door de wind. Mijn slaapkamer is op tweehoog maar nu er steigers voor staan kan iedereen er naar binnen klimmen. Ik woon in een gure buurt. Mijn bed past niet in een andere kamer. Kortom: ik was bang en sliep niet goed. De volgende ochtend kreeg de eerste beste zenuwachtig grijnzende geruststeller de wind van voren. Ik liep naar de supermarkt op de hoek voor ontbijt en gaf er een die onderweg daar naartoe iets wilde zeggen niet de kans, en begon te schreeuwen dat mijn raam niet dicht had gekund. Ik kreeg een verbaasde terugdeinzing als reactie en hardop gemompel over Dirk die dat dan waarschijnlijk nog was vergeten, ik krijste: ‘Regel je shit!’ En merkte toen iets verschrikkelijks: ik begon bijna te huilen, dus stormde ik weg. In de jumbo deed ik mijn best gewoon boodschappen te doen en daarna moest ik terug. Natuurlijk weer langs die mannen. Ik heb er zo’n schurfthekel aan dat je als vrouw moet huilen als je woedend wordt. Het slaat helemaal nergens op, is ontzettend onhandig, ook communicatietechnisch, het wordt niet als krachtig gezien en je krijgt niet de reactie die noodzakelijk is, je wordt meteen minder serieus genomen. Ik was helemaal niet verdrietig, maar boos. Maar het was gelukt dat niet te laten zien en meteen kwam dezelfde man samen met kennelijk Dirk op me af. Het speet ze enorm, ze namen alle schuld op zich, keken me, aan, ineens had ik echt contact. Later belde Dirk aan en gaf hij mij een prachtige plant in een mooie pot, hij wilde er niets over horen, het was zijn schuld en hij was vreselijk geschrokken. Hij schaamde zich. ‘Ik zou ook pissig zijn hoor’, had zijn collega gezegd, de man die ik de wind van voren had gegeven. Hij had zelf een dochter die op zichzelf woonde in een wijk waar weleens overlast was. Even had ik echt contact met ze gehad. Nu zijn ook zij weer achter de façade van geruststelling verdwenen.

De mannen stellen me gerust terwijl ik informatie vraag, die zij ook niet hebben, vaak. Het komt niet in ze op dat ze kunnen zeggen: dat weet ik niet. Behalve de man die getrouwd is met Marjan. Hij zegt: ‘het gaat hier helemaal mis mevrouw, en het is mij ook een raadsel waarom ze u niet informeren. Dat vind ik ook helemaal niet goed.’ Vervolgens zegt hij wat ik van het glas- en schilderteam precies kan verwachten. Hij durft me teleur te stellen en dus vertrouw ik hem.

Toen ze gisteren om vier uur waren vertrokken merkte ik dat ik kaakpijn had. Kennelijk klemde ik onbewust de hele dag mijn tanden op elkaar. Ook was ik niet in staat de keukentafel terug te schuiven, een afwas (vol gruis) te doen, en te koken met de verse groenten en aardappelen die ik in huis had gehaald. Ik bestelde Indiaas. Ik lepelde mijn bord vol, ging languit op de bank liggen, schoof mijn laptop naast me op een tafel en keek vijf afleveringen van Frasier achter elkaar. Ik luisterde naar de heerlijke, rustgevende stem van Kelsey Grammer die de openingstune zingt en daarna klaar zit in zijn radiostudio: ‘I’m listening’. (Onderschat de stem van Peri Gilpin, die Roz speelt, ook niet, trouwens.)

Ik ben benieuwd wat ze op de cursus hebben gehad. Ik heb er niet naar gevraagd.

Zo meteen ga ik naar het spreekuur, om te praten met Gea. Ik heb een brief van haar ontdekt die op de trap was gelegd. Ze houdt kantoor in een van de leegstaande huizen aan de overkant en ik kan elke donderdag tussen 13 en 14 uur bij haar langskomen als ik vragen heb over de voortgang van het project.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s