Lijken

‘Zo gauw je jezelf in de spiegel ziet, ben je iets kwijt,’ zegt Marja Pruis in een van haar essays in de bundel Genoeg nu over mij. Ze bedoelt daar eigenlijk iets heel anders mee, maar ik moest denken aan twee dingen: dode lichamen en het proberen tekenen van een portret.

Ik zit weer in het leenkantoor, ofwel het huis van mijn vrienden waar ik tweemaal per week mijn heil kan zoeken in deze weken van bouwvakkers op mijn dak. Mijn vriendin is ook nog thuis, ze doet in haar nette werkkloffie de deur open en is nog bezig met de laatste puntjes op de i zetten van een filmpje voor haar werk, dat ze straks op een vergadering zal presenteren. Stiekem maak ik van haar een portret. Dat wil zeggen: ik ga tegenover haar zitten en mijn laptopscherm blijft op zwart als ik hem aangezet heb, ik zet koffie, blijf wachten en kijk naar mijn verveelde hoofd met hand onder kin, maak daarvan een tekening en teken daarna stiekem mijn vriendin. Heel vluchtig, ze is geconcentreerd tegenover me bezig, haar ogen zoeken steeds heel snel haar scherm af, ze klikt klikt klikt, ik durf maar drie blikken op haar gezicht te werpen en weet de vorm ervan aardig te vatten, de ietwat bolle wangen en spitse kin, kaarsrechte wenkbrauwen, plofferige neus, haar pony, steile zwarte haar. Ik laat haar de tekeningen zien, ze moet lachen, wel een mooi tekeningetje zegt ze.
Dat zei de docent ook, bij de bespreking van onze meest recente zelfportretten: ‘Dit worden al heel aardige tekeningetjes.’. Dat het niet lijkt, doet er niet toe, zegt de tekendocent, het gaat om de verhoudingen en om de plastiek. Niet de neus te lang maken, ogen zijn niet tweedimensionaal, de mond zit hoger dan je denkt, mensen hebben een kin!

Toen de oma van een ex doodging, lang geleden al en ze was oud geworden en haar dochter, mijn schoonmoeder, was eigenlijk wel opgelucht dat het voorbij was, vroeg ze ietwat verbaasd toen ik zei of ik haar mocht zien: ‘O? Ja, wil je dat? Ja, kom maar mee hoor.’ In de gang van het crematorium ging ze me voor.
Ik keek naar haar in de kist, ik zag het lichaam dat er dan zo wasachtig uitziet, de huid die wel van kaarsvet lijkt, hoe ze nu ietwat was opgemaakt. Haar vingers waren al een beetje verschrompeld. Ik ben niet bang voor een dood lichaam. Ze zag er erg mooi uit, had een jurk aan die haar nog steeds goed stond en een rustige uitdrukking die in de laatste weken niet was voorgekomen op haar gezicht. Het deed me goed haar te zien, dat spook dat in die dagen in alle kamers hing was weg en vervangen door gewoon een echt persoon, die er nog steeds was, en niet meer was, dat kon ik duidelijk zien aan dit lichaam dat was overgebleven en vond ik geruststellend, prettig, eigenlijk.
Toen ik terugkwam vroegen haar kleinkinderen gretig allerlei dingen. Zag ze er goed uit, wat had ze aan, hoe leek haar gezicht, hoe zag het eruit? Ik antwoordde naar waarheid dat ze er mooi en rustig uitzag en iedereen leek opgelucht.
‘Willen jullie haar zelf niet zien?’ vroeg ik. Ietwat beschroomd probeerde ik mijn verbazing daarover te verbergen, dit was niet eens mijn eigen oma, maar nee, nee, ze wilden niet. Ze begonnen ongemakkelijk te lachen, ze vonden het een beetje raar. Mijn broer was toen al een paar jaar dood en mijn eigen opa ook. Ik merkte dat mijn schoonmoeder het prettig vond dat ik wilde kijken, dat ik bij wijze van spreken waardering kon uiten over het werk waar zij zich nu in bevond en dat ik kende: wassen, opbaren (meestal door iemand anders), kleren uitzoeken, bloemen uitzoeken, kist uitzoeken, zoveel dingen regelen. Je bent gewoon bij haar lichaam in de kamer. Je bent zo dichtbij. Mijn familie heeft dat met mijn opa ook gedaan maar ik weet wel dat het niet normaal is misschien, dat niet iedereen dat zelf doet bedoel ik – ik zie nog mijn oma, de weduwe, bijkans enthousiast een vriendin naar de kist trekken, die in de schuur van een van mijn tantes lag, prachtig met allerlei bloemen, ze was trots en wilde dat laten zien. Alsof opa net geboren was. Die vrouw gruwde ervan en wilde helemaal die ruimte niet in.

Mensen kunnen niet aanzien dat iemand uit een gezicht verdwenen is. Een gezicht is namelijk helemaal niet menselijk, als er geen leven in zit. Kan net zo goed een vaasje zijn, een bloempot, een leeg bord, iets waar iemand in hoort die er niet meer is – of: nu even niet. In de spiegel kijken is dat, soms: ik ben er niet. Als ik mezelf strak aankijk blijk ik gewoon een aanstaand lijk.

Toen ik terugkeek naar de portretten die ik wél vond lijken op mezelf bleek dat te komen door de gezichtsuitdrukking – een van sterkte emotie. Misschien is dat de reden dat mijn vriendin haarzelf ook niet herkent: ze kent dat uitzicht niet, van haar gezicht dat op een scherm tuurt, in concentratie en milde irritatie en stress. Ze kent andere gezichten. Ze kent lachen op foto’s, serieuzer kijken op pasfoto’s, ze kent die vreemde semi-serieuze blik van selfies, ze kent de blik in de spiegel als ze haar tanden poetst. Mond een tikje open, mascara opdoen.
‘Een lijk lijkt niet.’ Dat zei iemand van mijn tekenklasje, toen we met een kop koffie en sommigen een sigaret op de brandtrap stonden te pauzeren en met een mix van frustratie en verbazing bespraken hoe het toch kwam dat al die portretten nooit goed leken. Alle emotie is eruit, dan blijft er geen mens over, zei ze. Ze werkt in een bejaardentehuis.

Nu begrijp ik wél die opmerking, van mijn tekendocent, eigenlijk. Eindelijk, door dit schrijven, even, snap ik nu ineens wat hij bedoelt: je tekent tenslotte die mens niet, die licht geeft aan dat gezicht, er het leven in stopt, je kunt in deze beginfase alleen nog maar die plastiek tekenen: ogen, neus, mond, oren – natúúrlijk lijkt dat niet.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s