Solo

Na een paar maanden spotify zegt het algoritme dat ik twee muzieksmaken heb: jaren tachtig en jazz. Dat klopt. De jaren tachtig kan ik vanuit de baarmoeder wel verklaren, maar waar ik de jazz vandaan haal weet ik niet.

Ik heb twee vriendjes gehad die jazzmuzikant waren, een speelde trompet en een saxofoon. Jazzblazers zijn goed met hun mond, ze hebben warme zachte lippen. Daar kan die liefde begonnen zijn. Met name de trompettist, die een heel ander, meticuleus temperament had dan ik, leerde me van alles wat ik niet wist. Zo was ik tot achterin de twintig onwetend over dat jazzsolo’s altijd improvisaties zijn. De eerste keer dat hij me dat vertelde, voor de neus weg, een mededeling die wegviel in wat hij eigenlijk wilde zeggen, was ik erg verbaasd, en meteen toen hij me het uitlegde al verrukt. Een epiphany, zou je het kunnen noemen. In popmuziek was dat namelijk helemaal niet zo, men ging juist naar concerten om die ene gitaarsolo, al zo vaak in hoofd en kamer gehoord, nu live gereproduceerd te krijgen – en hij vertelde me nu dat dit bij een jazzconcert nooit kon? Ja, dat vertelde hij me.
Hij keek me even verbaasd aan. ‘Wist je dat niet?’ Dat wist ik niet. Dit betekende van alles. Ik vond het geweldig. Je kreeg zo namelijk, bedacht ik, altijd een concert te horen dat uniek was: dat in kwaliteit lag aan avond, publiek, sfeer, stemming, aan alles en niets.
Hij vond het erg moeilijk om op dat niveau te komen. Hij studeerde en studeerde, probeerde te leren en zorgvuldig voor te bereiden dat hij uiteindelijk los zou moeten zijn. Het paste eigenlijk niet bij hem, hij had er het bloed niet voor. Maar wel de oprechte liefde en bewondering. Hij leerde me de geschiedenis van jazz, legde uit dat heel veel jazz eigenlijk altijd, al jaren, eeuwen bijna, dezelfde muziek is, voor iedereen. Iedereen maakt er zijn eigen versie van.

En dan hoe die solo’s werken: je leert en leert en leert en leert en dan opeens, als al die muziek in je is gepropt, zou er een moment moeten komen dat je het helemaal los kan laten, en dan stuitert het terug en valt het in jouw hoofd op je plek. Als je dan je toeter aan je mond zet stroomt daar onherroepelijk jouw solo uit, vanzelf, niet tegen te houden. Nog steeds vind ik dit prachtig aan jazz, en dan een van de mooiste voorbeelden ervan is scatten. Ook van hem geleerd wat daarvan de bedoeling is – je mond en de klanken van je stem te gebruiken als instrument. Taal is nu louter geluid. Hij hield van Ella Fitzgerald want ‘als zij het doet, beeld ze zich altijd in dat haar stem een trompet is’.

De saxofonist was eigenlijk meer van de blues. Hij was groot en gevoelig op een diepe en warme maar ook soms best wel depressieve manier, fan van Tom Waits. Hij kon goed koken, had een warme parketvloer en donkere stem, hij was een beer. Hij sprak Russisch en Duits. Het was allemaal al los bij hem, die uitleg had hij niet nodig. Hij improviseerde er de hele zomer op los, zijn buren vonden het niet erg, hij had het hen gevraagd. Aan de achterkant van zijn huis stonden flats waarvan hun balkon op zijn binnenplaats uitkeken. Ergens was een man die de deur open liet staan om hem te horen en zelf lp’s draaide die wij hoorden als hij stil was. Een nacht in de zomer kwam hij naar beneden en bij ons zitten aan het vuur, hij had veel lp’s van trompettisten en vertelde en vertelde, zomaar voor zich uit, de warme lucht in, zijn stem ging omhoog naar alle buurtbalkons.

Dus daar kan het wel aan liggen, die twee hebben wel invloed gehad. Al kan je net zo goed zeggen dat ik hen opzocht, omdat ik zo van jazz hou.

Het is toch ook wel zo, namelijk, dat ik de indruk heb dat mijn plezier van jazz instinctief is. Dat het eigenlijk echt iets van mezelf is, en niet vanuit genegenheid of vertrouwdheid komt, zoals ik van jaren tachtig muziek hou alsof het mijn familie is, of het dorp waar ik ben opgegroeid.
Ik hoop het. Dat klinkt wel als een goed idee voor het leven – dat het een symbiose is, van wie je bent: waar je vandaan komt en wat je leert van de tijd waarin je geboren bent en opgroeit, de omgeving en je familie, en dan later als je groot bent je eigen spoor daar overheen gelegd, waarbij je vanzelf verandert in een speurhond en dingen opzoekt die alleen bij jou passen.
Maar misschien toch niet alleen van jou. Misschien zijn die ­­ ook wel gewoon ergens mysterieus vandaan gekomen, uit een paar levens terug bijvoorbeeld, of toeval, of een of andere voodoo-god die met je pop aan het spelen is, ervoor zorgt dat je ineens een reis boekt naar een ander land. Wie zal het zeggen? Toch, dat het van mezelf is, dat heb ik het liefst.

Ik schrijf een boek deze dagen en denk veel na over vroeger, over daarna, en over nu. De plaatsen waar ik ben geweest, de mensen die ik om me heen heb gehad en de plaatsen waar ik nu ben, de mensen die ik nu om me heen heb. Is alles mijn keuze? Had ik mijn ogen open? Of heb ik ze blind gevonden, geleid door iets of iemand anders? Het eerste is verantwoordelijker maar ook arroganter en in die zin misschien dommer, het tweede is nihilistischer, bescheidener, maar veel minder interessant.

Er is een stukje in een verhaal van Maartje Wortel, piepklein onthouden stukje, ik weet niet meer waaruit, waar ze een hoofdpersoon beschrijft die op haar bed ligt en aan haar teennagels pulkt. Zij denkt dat dat iets is wat typisch is voor haar, iets wat bij haar past en haar onderscheidt, dat pulken aan haar tenen altijd, maar – zegt Wortel – wat zij niet weet is dat zij dat van haar moeder heeft, die doet precies hetzelfde.

Er is ook een vreselijk ander stukje in een verhaal van Maartje Wortel: een duif die wordt gevonden, hij ligt buiten op straat en zijn vleugels zijn afgeknipt. Hij leeft en hij fladdert wanhopig. Die laat Wortel daar maar gewoon liggen en dus moet het personage dat hem vindt dat maar aanzien, die wanhoop en pijn die je daarbij voelt, en zo geven zij – zowel personage als schrijver – die beiden door aan ons – lezer. Niemand doet er wat aan. Zo krijg je een ongemakkelijk, heel naar gevoel dat heel sterk is, heel menselijk. Ze doet op die manier een beroep op onze menselijkheid.
Dat doet Eva Meijer ook, maar heel anders, meer in de manier waarop die frase meestal wordt gebruikt: haar hoofdpersoon in Het Vogelhuis vindt ook een vogel met een lamme vleugel, loopt er op af, kijkt er naar, hurkt er naast, bestudeert en trekt een conclusie: vogel overleeft dit niet. Pakt daarop acuut een steen en slaat hem dood. Opluchting voor de lezer, dat arme beest gelukkig uit zijn lijden verlost.

Het werkt verlammend, op de een of andere manier, dat idee dat nooit iets echt van jou zelf is. Alsof je nooit los kunt breken, altijd weer terugvalt, na een hoop gefladder, in wat voor jou is vastgelegd, wat jou is – je familie, je land, je uiterlijk en miljoenen kleine dingen meer.

Waar was ik? Zo’n improvisatiespoor, het is niet niks – kan me voorstellen dat een jazzmuzikant haast iemand nodig heeft die op een gegeven moment op een fluitje blaast – ja, goed zo hoor. Stop maar nu.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s