Verwachting

Geluk schijnt verwachting te zijn. Mogelijkheden, dingen die nog open zijn. Ik lees het in een boek, iemand die een ander iets citeert, iets van Mrs Dalloway, die ontdekt dat het moment dat alles nog mogelijk was achteraf geluk bleek te zijn. Niet de eventuele ingeloste dingen, maar dat je je realiseert dat het kan, dat ze misschien nog komen gaan.

Honger hebben en dat dan gestild, en dan óók al dat moment gehad van tevreden uitbuiken – kennelijk is dat iets anders. Dat je alles hebt – kennelijk is dat iets anders? Tsk, maak dat de kat wijs.

Dat je alles hebt, dat is geluk. Wat een luie mening, dat geluk verwachting is. Een corpulente mening, de mening van iemand die te verzadigd is, mening-obesitas. De mening van mensen die niets meer te wensen hebben. Een vriendin met een man, een huis, een baan die ze leuk vindt en drie gezonde kinderen: ‘Bij jou is tenminste alles nog mogelijk! Ik kan daar wel jaloers op zijn.’ Ze geeft me een knipoog. Het is een mock-verzuchting.
Ik word kwaad op haar, laat het niet merken. Ik denk: koket gelul. Ze verveelt zich alleen maar, ze is gewoon saaier dan ik en laffer en heeft veel meer geluk gehad.

Bij mij is alles nog mogelijk. Dat klopt, ik heb zoveel niet. Ik heb een heleboel dingen wel, maar dingen die veel mensen wel hebben: relatie, kinderen, goede baan – heb ik niet. Nog niet, denkt men dan, maar na lange, lange tijd, denk je vanzelf: niet. Is er niet, gaat ‘m niet meer worden.

Wat ik steeds minder kan uitstaan: mensen die nooit, maar dan ook nooit, tegen de muur aan zijn gesmakt. Ik heb er gewoon geen geduld meer voor. Ik weet dat het van m’n ex niet mocht, maar ik houd het niet meer vol, niet boos op hen te zijn. Ik vind dat ik dat mag. Hij is verdorie zelf ook zo iemand. Wie denkt hij eigenlijk wel niet dat hij is? Nu is hij projectontwikkelaar. Nooit zal hem iets gebeuren, dat vindt hij zelf ook, hij vindt: je zorgt daar zelf gewoon voor. Hij vindt dus: je doet niet genoeg, als je blijft zitten in het niets.
Je pikt ze er zo uit. Ze zeuren over de drempels in hun huis en over de vuilnisman, die de kliko net niet goed terugzet. Erger nog: ze zeuren over de buren. In The Casual Vacancy gebeurt dat ook: de man over de heroïneverslaafde vrouw die haar kind van drie moet begraven, uit een onvoorstelbaar pijnlijk verleden van misbruik en mishandeling komt, die naar buiten strompelt in haar badjas en met een peuk in haar mond – ik lees het en kijk uit op precies zo’n buurvrouw, meer nog, ik heb er wel drie, richt mijn blik weer op het boek – dat hij dan naar haar kijkt en zegt: ‘Kan die vrouw niet gewoon in elk geval even haar tuin netjes in orde maken?’ Dat vileine van Rowling in dat boek, dat mag ik wel. Wat een lul is die vent.

Maar ja, daar kun je niets mee, in het echt. Als je iets tegen ze zegt, tegen zulke mensen, hen iets uitlegt of iets kwalijk neemt, raakt hun verbazing je soms recht in je ziel. En dat doet teveel zeer, dat moet je hen jou niet aan laten doen. Zwijg liever. Dat doet pas zeer, dat ze werkelijk geen idee hebben waarover je het hebt. Nog nooit geslagen, nooit tegen de muur aan gesmakt – niet eens een schaafwond gehad.

Ja, dan ga je wel denken dat geluk verwachting is. Ik bedoel: als je gaaf bent, ga je denken dat wanneer alles veilig vaststaat, je ongelukkig bent. Zoveel mazzel dat je denkt dat het gevoel van verveling wanhoop is.

Die ex-vriend, zo’n gaaf type, die zei, na de dood van mijn broer: als je maar niet bitter wordt. Die na de wereldverschuiving, nadat de aarde zich had opengescheurd en hem en daarmee een heel groot deel van ook mij had verzwolgen, zei tegen de beurse hoop die platgeslagen op de bank lag: als je maar niet bitter wordt. Mijn broer was nog niet eens twee maanden dood. Dat was het voornaamste, vond hij. Hij zei het als een soort advies. Hij wilde dat ik koste wat het kost gelukkig zou blijven, uiteindelijk weer gelukkig zou zijn. Hij zei het alsof hij zei: let wel even op dat je elke ochtend goed je veters strikt.

Misschien zijn mensen die nog nooit op de grond zijn gesmakt niet in staat het verschil te onderscheiden tussen een normale reactie op het werkelijke leven en een rimpeling in een glad, strak schijnbestaan.
Het leven als standaard gladde rivier en alles wat die verstoort als abnormaal, als niet-de-bedoeling zien. Wat een idioterie. Wat een volstrekt belachelijke zienswijze op voelen, ruiken, proeven, liefhebben, op in de wereld aanwezig zijn. Ik kan erom kakelen van het lachen, net te schril.

Ze moet haar badjas dichtdoen, peuk weggooien, haren kammen. Viooltjes planten, nadat haar man er met de hoge drukreiniger overheen is gegaan, over die groen uitgeslagen tegels van het terras. Dan kan ze verder met de regels, verder met de cadans die ook wij volgen, vindt die man, die lul die haar bekijkt en afkeurt. Het bestaan is als een lier waaraan iemand draait en je mag niet zorgen voor haper, dan is de hele draai minder mooi voor de rest. Werk nou even mee.

Ik zag eergisteren mijn eigen ei. Het was groot en zwart op de echo, wel een centimeter en het verbaasde me. Het stond op springen, dat was toeval, de gynaecoloog lachte en wees het me aan. Ik was er om uit te sluiten dat er iets ernstigs was, fysieke dingen die in de familie heersen en zouden kunnen zorgen voor onvruchtbaarheid, of nog veel erger. Pijnklachten die ik heb. We hadden het eerst daarover. Toen zouden we even gaan kijken.

En toen was er dat ei. Ik kon mijn ogen er niet vanaf houden.

Misschien is ongemerkt de laatste jaren verwachting een risico geworden. Veel was ingestort, daarna kwam er heel lang nog minder. Werken lukte me een hele tijd niet. En ik weet dat er geen garanties zijn. Hoop begon eigenlijk belachelijk te zijn.

En ineens was er dat ei. Ik die in de beugels lag, en dan die vreemde uitspraak van de gynaecoloog, als een dubbele echo; niet alleen de camera in mij maar ook de woorden uit haar mond: ‘nou, alles is in orde hoor’. Ik was stomverbaasd dat mijn lichaam gewoon gezond was. Dat lag niet in mijn verwachtingspatroon. Die woorden, als mogelijke voorspelling nu; als iets dat over een tijd nog een keer zou kunnen worden gezegd, dan iets heel anders, iets enorm vreugdevols, zou kunnen betekenen: ‘nou, alles is in orde hoor’.

Het einde van iemands leven heeft op een bepaalde manier een einde aan mijn leven gemaakt. Ik dacht: niet meer hopen is handiger, leek grimmig slim, had dat niet door. En nu een ei, ter herinnering, aan veel meer dingen dan alleen een ei. Ik heb er naar gestaard, verbaasd – misschien wel: gelukkig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s