Hortensia

Hortensialaan betekent: straat met bomen. Waar ook Hortensia’s staan, als je mazzel hebt. Ik heb er geen meer, de struik deed het niet in mijn grond. Ik heb ook geen boom meer, maar ik woon tegenover de kebabzaakpizzeria die ook Hortensia heet.

De herdershonden aan de overkant, die boven Hortensia woonden, zijn weg. Niet langer hoor ik hun gejank als ze de trap af rennen en midden in de nacht door de vorige buurvrouw worden uitgelaten. Ik hoor nog steeds wel nieuwe kinderen spelen in de zomer, en de brommers die worden opgevoerd, en de buurman van hierachter met zijn labrador is er ook nog – het is alweer een nieuwe labrador. ‘Een hond moet een hond zijn’, zegt ‘ie, hij lacht hard. Hij loopt weg, zijn bovenlichaam is gebruind en altijd naakt in de zomer, hij heeft een buik. De hond die een hond is laat hij poepen op het stukje grond tegenover mijn voordeur waar nu een piepjong boompje is geplant. De nieuwe boom is zo klein en dun dat je hem nauwelijks ziet, zelfs niet als je er recht op af kijkt. De boom die er stond was een Esdoorn, een grote. De hele straat stond er vol mee. En er was nog een boom, een Japanse boom, die kleurde prachtig in de herfst en stond alleen bij mij, naast mijn Esdoorn, en helemaal aan het eind van de straat ook, waar twee schrijvers wonen.

Alles is hier gearrangeerd door de gemeente, tot op zekere hoogte. We krijgen allemaal een Hortensia in de hoek en de heggen worden door de plantsoendienst gemaaid en het gras ook. Maar als er nieuwe parkeerplaatsen moeten komen zeggen ze: er moet nieuwe riolering komen, en die wordt er dan in gelegd maar daarvoor halen ze ook alle grote bomen weg. En daarna zijn er ineens veel meer parkeerplekken voor de mensen buiten de stad die hier komen parkeren. Tegenover me staat nu een grijs paaltje met bovenaan een blauwe P. En nu is de Hortensialaan een straat.

Inmiddels ken ik ze, de twee dichters aan het einde. Ik kom bij ze thuis en zij bij mij, ik ga bij hen eten. Ik eet pannenkoeken met appel op donderdag, Kasper bakt alvast de volgende en schenkt wijn voor me in. Ik kijk naar Stien, die altijd verbaasd lijkt. Ze is kleiner dan Koos. Maar goed, iedereen is kleiner dan Koos.
Als ik in de ochtend langskom is Fieke aan het werk. Ik krijg thee met melk, of hele sterke koffie. Kasper begint ineens hardop achter het fornuis te declameren, dat kan alles zijn, ik luister aandachtig en ga in gedachten van: gedicht? nee, naar: prentenboekstukje? nee, naar: ah, een mail. Als hij klaar is kijkt hij vragend mijn kant op. Is het wat? Ik zeg van ja. ‘Ik heb zin in koffie’, zeg ik. Kasper schenkt vlug koffie in en voert zijn declamatie in op het scherm en mailt tevreden de mail die hij dringend eerst nog even moest mailen. Ik neem een slok en kijk naar Stien. Ze ligt op haar buik op een kleed en kijkt aandachtig naar mijn schoenveters.
Of: Fieke komt langs, bij mij, ze is vrij vandaag, zal ze komen koffiedrinken? Stien is geïnteresseerd in mijn kat. Een zelfde persoon als Koos, lijkt dit, maar kleiner en in een andere kleur. Ze raakt de kat niet aan, trekt niet aan de staart, ze kijkt hoe Pim naar haar toeloopt. Fieke vraagt hoe het ging met oud en nieuw. Ik vertel hoe kut het was. Ze zegt dat ze blij is dat ze er niet waren. Kasper kreeg vorig jaar een klap. Maar ja, zegt ze, zulke fijne huizen hier. We zeggen: het is een kutstraat maar de huizen zijn zo fijn. We zeggen: er wonen alleen maar dichters hier! We zeggen: in de zomer is het hier altijd zo gezellig.

Toen ik ziek was kreeg ik twee netten sinaasappels gratis van Fré. Dat is de groente-en-fruitzaak aan hun overkant. Hij kijkt altijd boos en ik word zenuwachtig van hem, maar hij zegt: pak de avocado’s maar uit deze bak, die daar zijn niet langer goed.
Als er twee meisjes in joggingbroeken binnenkomen, iets kopen en weer weggaan zegt de man die altijd zijn groente en fruit in- en uitpakt: ‘Was mien vraauw nog maar zo mooi. Maar ja, dat is nait meer zo!’ Hij klinkt boos, alsof zijn vrouw het expres doet. Hij kijkt de meisjes na, ze zijn zo jong dat ze zijn kleinkinderen kunnen zijn. Fré zegt: ‘Wat bin ‘ie toch aigenlik ’n enorme viezerik. Jongedaaaame.’ Dat laatste zegt hij tegen mij, zangerig, als ik de plastic tas op zijn toonbank zet om te betalen wat ik bij elkaar gescharreld heb. Hij laat me te weinig betalen, dat doet hij bij iedereen.

Aan de overkant is de pizza goed. De kebab heb ik nooit gehad. Er is ook lamachun, die is ook heel goed, ik haalde die een keer met een vriendin. Zij moest giechelen omdat ze net drie rode wijn had gehad op Noorderzon en na vier jaar bijna onophoudelijk zwanger zijn is dat nogal wat. We liepen aan het einde van de avond naar mijn overkant en kochten een lamachun voor haar man, die zij mee naar huis nam.
‘Voor morgenvroeg’, zegt ze, ‘dat vindt ‘ie lekker, hij houdt van warm eten.’ Ik moet daar heel hard om lachen, ik heb ook gedronken.
‘Jij bent van nummer twee, toch? knikt de dikke kale jongen van de pizzeria naar buiten, naar mijn voordeur.
‘Klopt’, zeg ik.
‘Jouw onderbuurvrouw laat het altijd bezorgen’, zegt ‘ie.
Hij vertelt dat mijn onderbuurvrouw, die omdat ze haar deur aan de andere kant van onze hoekwoning heeft technisch gezien aan de Zaagmuldersweg woont, nooit even naar de deur loopt, maar laat bezorgen.
‘De eerste keer ging iemand met z’n scooter weg en die kon meteen weer in de remmen knijpen, zegt de jongen van Hortensia.

In de winter staat Kasper een paar keer als een schim in een enge film onder de lantaarnpaal aan de overkant te roken. Hij wacht op pizza. Fieke is dan nog zwanger van Stien. Hij ziet me zitten typen achter mijn laptop achter het raam en zwaait.
Op woensdagen, en in de zomer, is het andersom: ziet hij me langs rennen als ik naar het Eemskanaal toe hardloop, dan zit hij achter zijn laptop achter het raam. Op zaterdagochtenden zit hij er ook, dan ga ik verder weg en fiets ik in mijn hardloopoutfit naar Kardinge toe. Ik zwaai, hij zit naast de radio te luisteren naar de column van Fieke. Het raam is open, heel soms krijg ik een vlaag mee.  Koos zit in het raamkozijn alsof hij een levend velvet gordijn wil zijn.

Op een morgen in de zomer hoor ik mijn onderbuurvrouw drinken in haar tuin met een vriend. Ze zijn de hele nacht doorgegaan en ze zijn nog dronken. Het is tien uur. Ik word uitgenodigd voor koffie en sluit me bij hen aan.
Ik vraag haar hoe het zit met het bezorgen van de pizza. Doet ze dat echt?
‘Ja, zegt de buurvrouw in haar ommuurde achtertuin’, ik ben toch niet zo’n Oosterparker ja!’ Ze schiet in de lach als ze koffie naast mijn kopje schenkt.
‘Je woont hier toch’, zeg ik.
‘Ja nou maar ik ben blij dat ik niet aan de andere kant van de muur zit!’ roept de buurvrouw, weer heel hard lachend. Ze knikt naar de muur om haar achtertuin, waar aan de andere kant mijn bankje naast mijn voordeur staat, nu onbeschut.
‘Ik mis mijn boom’, zeg ik.
Haar vriend lacht, hoest, rochelt en spuugt op de grond.

Gisteren voorgedragen in de Kroeg van Klaas, bij de boekpresentatie van ’t Leven as olifantpuzzel – columns van een jonge vraauw in Stad, van (buurvrouw) Fieke Gosselaar.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s